LEES
ESG & Duurzaam financieren Risk & Compliance

ESG-wetgeving onder de radar: niet gesignaleerd, wel in scope

Date:April 24, 2026

Af en toe ontstaan er wetgevingsinitiatieven die wél impact hebben op de financiële sector, maar niet altijd in beeld komen binnen de reguliere regulatory change processen.

Zo maakte ik ooit van dichtbij de onrust mee bij een financiële instelling door een niet gesignaleerde wijziging in de Opiumwet, met een ongepland implementatietraject van het Customer Due Diligence beleid tot gevolg.

In dit artikel bespreek ik drie wetgevingstrajecten gerelateerd aan de E, S of G van ESG die financiële instellingen op hun radar zouden moeten hebben, maar die gemakkelijk over het hoofd worden gezien óf omdat het geen financiële wetgeving betreft óf omdat het wél relevante vereisten bevat, maar die verstopt zitten in regelgeving die op het eerste gezicht niet relevant lijkt:

  1. Richtlijn tot versterking positie consument voor de groene transitie
  2. ESG-ratingverordening
  3. Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen

Richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten

Richtlijn (EU) 2024/825 (hierna: “de Richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten”) heeft tot doel de positie van de consument in de groene transitie te versterken door te zorgen voor betere (product)informatie en door extra bescherming te bieden tegen oneerlijke handelspraktijken. Voorbeelden van dergelijke praktijken zijn greenwashing en misleidende claims over producten die bijvoorbeeld minder lang meegaan dan consumenten redelijkerwijs mogen verwachten.

Het is goed om te benadrukken dat deze richtlijn ziet op betere duurzaamheidsinformatie richting consumenten en niet moet worden verward met de EU Green Claims Directive. Dat afzonderlijke wetgevingstraject ziet specifiek op het gebruik van milieuclaims en de wetenschappelijke onderbouwing, controle en verificatie daarvan, maar bevindt zich momenteel in een fase van politieke stilstand en is nog niet afgerond.

De Richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten wordt in Nederland geïmplementeerd in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en zal vanaf 27 september 2026 van toepassing zijn. De richtlijn stelt onder meer strengere eisen aan het gebruik van generieke milieuclaims (zoals"groen","duurzaam"of"verantwoord"”), aan het gebruik van keurmerken en aan informatie over de milieuprestaties van producten.

De Richtlijn is niet beperkt tot milieuclaims, maar heeft een bredere reikwijdte: zij ziet naast milieugerelateerde claims ook op sociale claims, informatie over de levensduur van het product, repareerbaarheid, keurmerken en circulariteit.

Deze vereisten gelden sectoroverstijgend en zijn daarom ook relevant voor financiële instellingen wanneer zij duurzaamheidsclaims richting consumenten doen, bijvoorbeeld met betrekking tot duurzame beleggingsfondsen, ESG-portefeuilles en duurzame verzekeringsproducten.

Maar bestond dit dan niet al? Het antwoord daarop is: ja, ja en nee.

Ja, de AFM leidraad Duurzaamheidsclaims van oktober 2023 (recentelijk nog bevestigd in een ESG update) hanteert drie kerncriteria voor duurzaamheidsclaims:

  1. juist, representatief en actueel;
  2. concreet en goed onderbouwd;
  3. begrijpelijk, passend en vindbaar

Deze leidraad is gebaseerd op artikel 4:19 lid 2 van de Wet op het financieel toezicht en artikel 48 van de Pensioenwet), die vereisen dat informatie correct, duidelijk en niet misleidend is. Daarmee is de relatie met de Richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten snel gelegd.

In het verlengde hiervan kunnen ook de in juni 2024 gepubliceerde Final Report on Greenwashing de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA’s) worden genoemd en die de lijn van de AFM op Europees niveau verder concretiseren.

En dan, weliswaar specifiek gericht op fondsbeheerders, maar toch ook relevant voor de financiële sector als geheel: de richtsnoeren voor de naamgeving van fondsen waarin ESG of duurzaamheidsgerelateerde termen worden gebruikt, gepubliceerd in augustus 2024.

Deze richtsnoeren verduidelijken in welke gevallen het gebruik van ESG of duurzaamheidsbegrippen in fondsnamen oneerlijk, onduidelijk of misleidend is; de naam van een fonds is een goed marketinginstrument, vaak het eerste stukje informatie dat beleggers zien en hiermee van grote invloed op hun beleggingsbeslissingen.

Dus het is oud nieuws hoor ik je denken.

Die conclusie is helaas te voorbarig. De Richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten voegt namelijk twaalf specifieke handelspraktijken aan de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken toe. Daarmee wordt de zogenaamde “zwarte lijst” uitgebreid. Handelspraktijken die op de zwarte lijst staan zijn altijd verboden. No discussion.

Wat is er aan deze zwarte lijst toegevoegd dat relevant is voor de financiële sector? Onze top drie:

  1. Vage en generieke ESG claims;
  2. Certificeringsregeling;
  3. Claims die verwijzen naar toekomstige milieuprestaties.

Vage en generieke ESG claims

Eén van de nieuw toegevoegde handelspraktijken betreft het doen van een generieke milieuclaim zonder dat daaraan erkende, voor die claim relevante milieuprestaties ten grondslag liggen. Het gebruik van termen als “groen”, “ecologisch”, of “energie efficiënt” kan de suggestie wekken van ‘voortreffelijke milieuprestaties’ en moet daarom worden onderbouwd.

Ook is het niet toegestaan om een milieuclaim te maken voor het volledige product, terwijl deze in werkelijkheid slechts betrekking heeft op één specifiek aspect.

Daarnaast zijn generieke claims als “bewust”, “duurzaam” of “verantwoord” niet (langer) toegestaan wanneer zij uitsluitend zijn gebaseerd op erkende voortreffelijke milieuprestaties. Dergelijke claims hebben immers niet alleen betrekking op milieukenmerken, maar roepen ook verwachtingen op ten aanzien van andere aspecten, zoals sociale kenmerken.

Vraag je je af waarom het woord “voortreffelijk” hier al voor de tweede keer langskomt? Dat is geen keuze van mij. Het begrip “voortreffelijke milieuprestatie” komt maar liefst tien keer voor in de richtlijn, steeds in exact die combinatie. No pressure.

Certificeringsregeling

Op grond van de Richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten wordt het verboden om een duurzaamheidskeurmerk te gebruiken die niet is gebaseerd op een erkende certificeringsregeling of niet is ingesteld door een overheidsinstantie.

Een certificeringsregeling wordt in de richtlijn gedefinieerd als een door een derde uitgevoerde verificatieregeling. Hiermee wordt gecertificeerd dat een product, proces of bedrijfsactiviteit aan bepaalde vereisten voldoet om als duurzaamheidskeurmerk te mogen worden gebruikt. Zo’n regeling moet voldoen aan vier cumulatieve voorwaarden:

  1. Transparant opgesteld
    De doelstellingen, criteria en procedures van de regeling zijn duidelijk, publiek toegankelijk en begrijpelijk.
  2. Gebaseerd op objectieve en verifieerbare criteria
    De eisen van de regeling steunen op wetenschappelijke of technische onderbouwing en zijn geschikt om de geclaimde duurzaamheidskenmerken te beoordelen.
  3. Onafhankelijke controle door een derde
    De naleving van de regeling wordt gecontroleerd door een partij die onafhankelijk is van zowel de gebruiker als de eigenaar van de regeling en die aantoonbaar over de vereiste deskundigheid beschikt.
  4. Regelmatige herziening
    De regeling voorziet in periodieke evaluatie en actualisering van de criteria om relevant en betrouwbaar te blijven.

De definitie van duurzaamheidskeurmerk is breed gedefinieerd:

„een vrijwillig, publiek of privaat trustmark, kwaliteitslabel of soortgelijk teken dat beoogt een product, proces of bedrijfsactiviteit te promoten of te benadrukken wegens milieu of sociale kenmerken“

Het is goed verdedigbaar - en zelfs waarschijnlijk - dat een door een fondsbeheerder zelf bedachte ESG score kwalificeert als een “duurzaamheidskeurmerk”, Dit betekent dat een dergelijke score vanaf 27 september 2026 niet langer in marketing en communicatie richting retailklanten mag worden gebruikt, tenzij de score berust op een onafhankelijk certificering of door een overheid is vastgesteld.

Relatie met de ESG-ratingverordening
In dit kader mag u ook de Verordening (EU) 2024/3005 (hierna: “ESG ratingverordening”) niet vergeten. Deze verordening bepaalt dat ESG-ratingaanbieders per 2 juli 2026 over een ESMA-vergunning moeten beschikken. Het doel hiervan is het vergroten van transparantie, het verbeteren van de datakwaliteit en het stellen van governance eisen voor aanbieders van ESG ratings.

Hoewel de verordening een vrijstelling van deze vergunning kent voor financiële instellingen die al onder toezicht staan - bijvoorbeeld op grond van de SFDR - geldt die vrijstelling niet onbeperkt. Als een financiële instelling haar ESG ratings aan derden (inclusief klanten) verstrekt, moet die informatie voldoen aan de minimale openbaarmakingsvereisten die ook gelden voor vergunninghoudende ESG ratingaanbieders via artikel 49 van de ESG-rating verordening.

De nadere uitwerking zal door de ESA’s worden vastgesteld in een gedelegeerde verordening, waarbij tevens wordt aangesloten bij de informatie die financiële marktpartijen op grond van artikel 10 SFDR openbaar maken. Omdat artikel 49 van ESG-rating verordening geen expliciete hyperlinkverplichting bevat, volgt uit de considerans dat de wetgever beoogt dat beleggers de vereiste informatie kunnen raadplegen via een verwijzing naar de website openbaarmakingen. Deze benadering wordt technisch geconcretiseerd door de ESA’s maar is nog niet formeel vastgesteld.

Claims die verwijzen naar toekomstige milieuprestaties

Claims over toekomstige prestaties mogen alleen worden gedaan indien zij zijn onderbouwd met duidelijke, objectieve en verifieerbare toezeggingen en doelstellingen. Deze moeten openbaar toegankelijk zijn en zijn vastgelegd in een concreet, uitvoerig en realistisch plan waaruit blijkt hoe en binnen welke termijn de toezeggingen en doelstellingen zullen worden gerealiseerd.

Daarnaast moeten dergelijke milieuclaims worden getoetst door een externe deskundige. Deze deskundige moet onafhankelijk zijn van de partij die de claim maakt, er mag geen sprake zijn van belangenconflicten en de deskundige moet over aantoonbare kennis en ervaring op het gebied van milieuvraagstukken beschikken. Ook moet worden geborgd dat de voortgang ten aanzien van de toezeggingen en doelstellingen periodiek kan worden gemonitord.

Als je nog niet overtuigd bent van de relevantie dan volgen hieronder een paar illustratieve voorbeelden van claims die in vergelijkbare bewoordingen op websites voor retailklanten te vinden zijn, maar waarvan wij denken dat een heroverweging op zijn plek is:

“Ons bedrijf kiest voor een afname van de uitstoot van CO2 per 2030”;
““Ons verantwoord beleggingsbeleid kent de volgende milieu kenmerken”;;
“Wij scoren onze beleggingen aan de hand van onze eigen interne ESG score”; ;
“Ons fonds is een duurzaam fonds door te beleggen in een ondernemingen met een ecologische doelstelling”..

Komen een of meer van deze voorbeelden je bekend voor? Onze tip: ga hierover tijdig in gesprek met de afdeling marketing en legal. De periode van vrijblijvende ESG marketing was eigenlijk al voorbij, maar vanaf eind september 2026 wordt dit echt een noemenswaardig risico. Vanaf dat moment beschikt de AFM over meer concrete handvatten om duurzaamheidsclaims van financiële instellingen te toetsen en staat zij juridisch sterker bij het optreden tegen misleiding.

Bonus tip: neem in het gesprek met marketing ook meteen je digitale footprint als aandachtspunt mee.

Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen


“Richtlijn (EU) 2023/970 (hierna: de ‘Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen’) heeft tot doel meer transparantie en betere handhaafbaarheid te creëren rond beloning. De richtlijn is sinds juni 2023 van kracht en moet door lidstaten worden omgezet in nationale wetgeving. In Nederland gebeurt dit via de Wet implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen (hierna: de ‘Wet’), met een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027 (uitstel ten opzichte van de EU-deadline van 7 juni 2026). Wij beschouwen dit onderwerp als onderdeel van de sociale pijler van ESG.”

Ook hier stel je je wellicht de vraag in hoeverre dit relevant is. Immers de beloning binnen de financiële sector is aardig dichtgetimmerd. En in het kader van regelgeving die ‘verstopt’ zit, maar waar we hier verder niet op ingaan, kan worden gewezen op een onlangs aangenomen amendement op de Wet chartaal betalingsverkeer dat ook ziet op een wijziging van de bonuscap.

Toch introduceert de Wet een aantal nieuwe verplichtingen die voor alle werkgevers gaan gelden. Eerder is hierover al een artikel verschenen; zo moeten werkgevers de criteria voor beloning en loonontwikkeling gemakkelijk toegankelijk maken voor hun werknemers, hebben werknemers het recht om schriftelijk informatie op te vragen over hun eigen loonniveau en de gemiddelde loonniveaus (per geslacht) voor de categorie werknemers die hetzelfde werk of werk van gelijke waarde verrichten en moeten werkgevers hun werknemers jaarlijks op de hoogte brengen van dit recht en uitleggen hoe zij dit kunnen uitoefenen.

Daarnaast geldt er een rapportageplicht vanaf 100 medewerkers. En last but not least sancties bij niet naleving, zowel bestuursrechtelijk met boetes tot €10.300, die door de Arbeidsinspectie openbaar worden gemaakt en bij herhaalde overtreding met 100% kunnen worden verhoogd, als civielrechtelijk (bijvoorbeeld schadevergoeding, achterstallig loon inclusief rente en variabele beloningen).

Eén van de belangrijkste civielrechtelijke vernieuwingen is de omgekeerde bewijslast voor de werkgever. Een werknemer hoeft slechts aannemelijk te maken dat er een beloningsverschil bestaat, of transparantieverplichtingen zijn geschonden. Het is vervolgens de werkgever die moet bewijzen dat géén discriminatie plaatsvond, én dat de verschillen objectief gerechtvaardigd zijn.

Een voorbeeld van hoe dit na 1 januari 2027 voor een beleggingsonderneming relevant kan zijn. Een vrouwelijke investment manager informeert op 2 januari 2027 naar haar eigen loon én het gemiddelde loon van collega’s die gelijkwaardig werk doen, uitgesplitst naar geslacht. Wat blijkt: zij verdient sinds haar indiensttreding in 2018 €8.000 per jaar minder aan vast salaris dan haar mannelijke collega’s; ze ontvangt daarnaast structureel lagere variabele beloning, pensioen, lagere vergoeding voor haar leaseauto en de beleggingsonderneming kan die verschillen niet objectief onderbouwen.

Maar de Wet is pas toch pas van toepassing per 1 januari 2027 en heeft formeel géén terugwerkende kracht? Eens, maar let op! In ons voorbeeld kan de werkneemster pas expliciet een vordering instellen op basis van de Wet door gebrek aan transparantie kon de werkneemster (doorgaans) niet eerder bekend zijn met deze verschillen. Dit doet niets af aan het feit dat de loondiscriminatie is begonnen in het jaar 2018, de datum waarop de werkneemster in dienst is getreden.

En al voor deze Wet van toepassing is geworden bestond bijvoorbeeld al artikel 7:646 BW met een verbod op onderscheid naar geslacht bij arbeidsvoorwaarden en de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen.

Dit betekent dat een ongerechtvaardigd loonverschil een voortdurende onrechtmatige toestand is of kan zijn, vanaf het moment dat zij ontstaat.

Dus als vastgesteld kan worden dat een beleggingsonderneming vanaf 2018 twee gelijkwaardige functies verschillend beloont zonder objectieve rechtvaardiging, dan is dat al vanaf 2018 onrechtmatig.

Kortom, ook hier kan je niet omheen: een evaluatie van het wervingsproces en de beloningssystematiek is het absolute minimum op de to do lijst.

Al met al veel informatie. Kom je er niet uit, dan denken wij graag met je mee!